De traditie van een feestboom ter opluistering van midwinterfeesten als het zonnewendefeest is
al eeuwenoud, zelfs veel ouder dan de geboorte van Jezus. Reeds meer
dan duizend jaar vóór Christus was het een heidens gebruik om een
groenblijvende boom uit een heilig bos te kappen en versierd en wel
op het dorpsplein te plaatsen: de midwinterboom.
Ook de oude Babyloniërs (het huidige Irak) eerden groenblijvende bomen als symbool van de zonnegod Nimrod.
Pas
in de 17e eeuw begonnen rijkere mensen in Duitsland met het ter
gelegenheid van kerstmis binnenshuis plaatsen van bomen, spoedig
gevolgd door engelse upper-class en de rest van Europa. In Nederland zorgde de plaatsing van kerstbomen op zondagsscholen tot een doorbraak bij het gewone volk. Deze kerstboom (een spar, géén denneboom overigens) was veelal op oorspronkelijke wijze versierd
met appels, noten en kaarsen.
Christelijke kerken waren aanvankelijk niet gecharmeerd van het gebruik rond kerst van deze midwinterbomen, daar zij niets van doen hadden met het feest van de geboorte van Jezus.
En hoewel in de 19e eeuw het
Vaticaan nog waarschuwde tegen het "heidense" gebruik van de invoering
van de kerstboom in Italië (pas sinds 1982 staan er kerstbomen in het Vaticaan zèlf), is de kerstboom tegenwoordig hèt symbool
van onze westerse kerstviering, waarbij licht en sfeer, glinsterende
versiering en kerstgeschenken onder de boom centraal staan.